top of page

 

 

 

G

Z 

W 1 

In de tuin vindt u de volgende biotopen:

1. Bloemen, planten en grassen

Overal in de tuin staan inheemse bloemen, planten, grassen, struiken en bomen die voedselbron en voortplantingsplek zijn: Een biotoop (leefplek).

Insecten eten van de bladeren, drinken de nectar van bloemen en ook het stuifmeel van de bloesem wordt gebruikt.

Tussen de grassen en op de planten worden eitjes gelegd en daarmee is het groen voedselbron en leefplek voor bijvoorbeeld larven en rupsen. Op hun beurt zijn insecten, larven en rupsen weer voedsel voor vogels, die bessen van de struiken eten en een broedplaats vinden in het struweel.

2. De poel ( V )

In het water van de poel wemelt het van de kleine beestjes (bijvoorbeeld wantsen, kevertjes, en wormpjes) die tussen de waterplanten en in het water gedijen. In veel gevallen zijn zij voedsel voor elkaar, aangezien de kringloop van de natuur bestaat uit eten, gegeten worden en voortplanten om zo de soort in stand te houden.

De poel is belangrijk voor amfibieën zoals kikkers en salamanders. Deze dieren planten zich voort in het water en leven er als jonge dieren. Daarna worden zij dieren die vooral op het land leven.

3. Moerasje (X)

Er is een klein moerasje dat indertijd nog door mevrouw Kolkmeijer is ontworpen. Daarin groeien moerasachtige planten. Het moerasje staat ook vaak droog.

4. Insectenhotels ( I )

Bij de herinrichting van de tuin is bewust gekozen voor een “insectenhotels” die bestaan uit blokken hout met gaatjes en andere natuurlijke materialen. Dit zijn ideale voortplantingsplekken voor bepaalde soorten insecten en bijtjes. Die benutten de gangetjes om voedsel in te stoppen en eitjes in te leggen. Daardoor heeft de uit het ei gekomen larve onmiddellijk een voedselvoorraad.

6. Muurtje ( M )

Een andere biotoop is een gemetseld stenen muurtje, waarop muurbloempjes, mossen en korstmossen kunnen groeien, op hun beurt weer een biotoop zijn voor sommige dieren.

5.Zandhoop en schrale plekken ( W 1,2,3 )

Er zijn ook wallen van schraal zand neergelegd, die een voortplantingsplek kunnen zijn voor graafwespen en -bijtjes. Die graven in het zand gangetjes waarin zij een prooi stoppen. Daarop leggen ze een eitje, zodat de uitgekomen larve meteen is voorzien van voedsel om te eten en te groeien.

7. Klimop

Een wand met Klimop is bedoeld als voedselbron voor insecten in het najaar. Klimop is namelijk een late bloeier. Tegelijkertijd is Klimop een goede schuilplaats. Onder de grote, dichte bladeren van de Klimop kunnen sommige dieren, zoals vlindersoorten als de kleine vos en de citroenvlinder, schuilen bij slecht weer of veilig overwinteren.

8. Dood hout

Een berg dood hout zit toch vol leven, omdat deze krioelt van kleine beestjes, die juist daar hun voedsel en leefplek vinden. Ook vind je daar veel zwammetjes.

9. Gemaaid gras

Het jaarlijks afgemaaide gras gooien we op een hoop. Het gras wordt, samen met takken en paardenmest, gebruikt om een broedhoop voor ringslangen te maken. De eieren van ringslangen worden uitgebroed door de warmte binnen de broedhoop.

10. Stiltehoek ( D )

Voor de bezoekers van de tuin maakten we achterin de natuurtuin een hoek waar mensen even rustig kunnen zitten en genieten. Rust en stilte, natuur en milieu kunnen ons tot nadenken stemmen, ons meer bij onszelf brengen en ons meer bewust maken van wie we zelf zijn in het geheel van alles om ons heen. We hopen dat de stiltehoek voor bezoekers een plek is waar ze graag zijn.

11.  Fruitbomen ( F )

Hier staan een aantal oude rassen peren, appels, pruimen en kersen. Het fruit wordt niet geoogst maar mag natuurlijk wel gegeten worden door mensen en dieren.

​​​12.  De Bloemenakker ( G )

Aansluitend aan de boomgaard is een akker ingezaaid met een inheems bloemenmengsel.

bottom of page